Glissando & Slurven

terug

De eerste Glissando-Machine, gebouwd in 1990, kan meedogenloos zijn en zeer luid klinken, wel meer dan 100 dB. Dat is slecht voor de oren, daar kan je beter niet te lang naar luisteren. Maar die luidheid lijkt erger dan hij is, doordat het ongemakkelijk in je oren jeukt.

In de Glissando-Machine raakt een zware bal uit evenwicht op het hoogste punt van de schepbalg, waardoor hij op een klepje rolt. Dat klepje gaat open en de wind stroomt weg, zodat de balg zakt. Beneden wordt het klepje weer dichtgedrukt, waardoor de bal terugrolt. Dan begint het spel opnieuw. Vanuit het blowertje stroomt wind naar balg en fluitjes. De balg gaat door de winddruk omhoog en duwt stoppen in de fluiten waardoor de fluittonen langzaam stijgen. In het andere setje trekt de balg de stoppen juist uit de fluiten, waardoor neergaande glissandi klinken.

De geluidgolven uit al die fluitjes bewegen door de ruimte. Waar die golven elkaar tegenkomen, gaan ze 'klotsen' en die klotsingen vormen samen weer nieuwe golfpatronen in de ruimte. Wanneer de fluitjes genoeg in toonhoogte verschillen, zullen de zwevingen tussen die botsende golven zo snel gaan dat ze ter plekke weer nieuwe tonen vormen: de verschiltonen. Die zijn principieel anders van karakter dan gewone tonen, want ze komen niet uit de fluiten, maar ze ontstaan overal in de ruimte waar die fluiten klinken. Ze ontstaan dus ook in de oren van luisteraars, waardoor ze zo bedreigend lijken. Scheidsrechterfluitjes werken precies zo. De zes op- en zes neergaande tonen in de Glissando-Machine geven een veelvoud aan veranderende verschiltonen, die allemaal in ieders oren zitten.

Dit soort automaten kunnen een musicus enigszins vervangen. Ze doen dat op een manier die een performer niet gemakkelijk kan imiteren. Daarnaast heeft zo'n automaat ook visuele potentie, het is een 'ademend ding', hij maakt het werk als het ware levend. In 2006 zijn nog twee Glissando-Machines gebouwd; de ene gaat eerst op, de andere neer. Ze kunnen in snelheid en luidheid variëren, waardoor ze liever klinken, helderder, genuanceerder. Maar ze willen ook nog steeds gieren, janken, snerpen en scheuren.

De luide glissandi in dit werk ontstaan door plastic tongetjes die op 'saxofoonmondstukken' bevestigd zijn. Zo'n 'mondstuk' is zorgvuldig in een steeds krommere curve gevormd, waardoor de tongen bij oplopende winddruk steeds sneller gaan trillen. Op die manier richt zo'n flexibel swingende tong zich geheel naar de winddruk en verglijdt de toonhoogte gemakkelijk. Wanneer je verschillende tongen op één windsysteem aansluit, hebben ze de neiging om te reageren volgens 'de wet van de minste weerstand'. De tongen trillen dan in eenvoudige verhoudingen: de tonen stemmen zich op elkaar af in kwinten of octaven. Bij maximale winddruk produceren ze een overweldigende klankmassa, die nog wordt versterkt door de schalbekers... Zodra de windmachine stopt, wordt de winddruk op de fluiten geleidelijk minder en ontspant alles zich. En dan wordt het interessant, omdat er een neerwaarts glissando in die kwinten en octaven te horen is.

Glissando in Museum Speelklok 2002

hvk

De twaalf fluiten in de Glissando machine klinken zeer luid en schril door de hoge winddruk. Tussen de fluiten onderling ontstaan krakende verschiltonen die reiken tot IN de oren, wat enorm bedreigend lijkt.

De Slurven aan de Kamperbinnenpoort te Amersfoort 2007

hvk

Ze rollen zich eerst uit en maken welluidende herrie. Bij het oprollen van de Slurven krijg je een prachtig neerwaarts glissando te horen.